Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Rechtbank zet streep door vergunningplicht kamerbewoning Rotterdam

------

Blogafbeelding omgevingsrecht

UPDATE 8 FEBRUARI 2023

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vandaag in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2022 vernietigd, voor zover daarin geoordeeld was dat de verordening deels buiten toepassing moest worden gelaten. Deze uitspraak is hier te vinden.

-------

OORSPRONKELIJK ARTIKEL 22 MAART 2022

In de huisvestingsverordening van de gemeente Rotterdam (voluit: “Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad”) is sinds enige jaren een vergunningplicht opgenomen voor kamerbewoning. Nadat de Raad van State eerder al had geoordeeld dat het betreffende deel van de huisvestingsverordening 2017 buiten toepassing moet worden gelaten, heeft de rechtbank Rotterdam dat nu ook bepaald voor de huisvestigingsverordening 2019. Wat zijn hiervan de gevolgen, onder andere ook voor de nu geldende huisvestingsverordening 2021?

Vergunningplicht voor kamerbewoning

Officieel heeft de vergunningplicht voor kamerbewoning betrekking op “het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte”. Deze vergunningplicht is in de loop der jaren steeds verder aangescherpt. Was er eerst een vergunning vereist bij 5 of meer kamerbewoners, sinds 2020 gold dat vereiste vanaf 4 kamerbewoners en sinds 1 juli 2021 al vanaf 3 kamerbewoners.

Het niet voldoen aan de vergunningplicht leidt, als de gemeente dit constateert, doorgaans tot het opleggen van een last onder dwangsom. Aan die dwangsom is alleen te ontkomen door alsnog een vergunning te krijgen of het aantal kamerbewoners omlaag te brengen.

Huisvestingsverordening (deels) buiten toepassing gelaten

De bevoegdheid om een vergunningplicht in te stellen is gebaseerd op de Huisvestingswet 2014. In artikel 2 van die wet is bepaald dat de bevoegdheden slechts mogen worden gebruikt als dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.

De vergunningplicht is de in achtereenvolgende huisvestingsverordeningen onderbouwd met onderzoek naar schaarste aan woonruimte. Die onderbouwing vond de Raad van State in het geval van de verordening uit 2017 niet toereikend. Daarop heeft de gemeente aanvullend onderzoek laten doen. Dat onderzoek is vervolgens gebruikt om de toepassing van de verordening 2019 en de (nu geldende) verordening 2021 te onderbouwen. Over deze onderbouwing heeft de rechtbank Rotterdam op 14 maart 2022 een oordeel geveld:

“Hoewel in de toelichting op de Huisvestingsverordening ter onderbouwing van de gestelde schaarste onderscheid wordt gemaakt in verschillende type woningen, is de schaarste niet per wijk toegelicht. In het RIGO-rapport 2020, waar verweerder in het bestreden besluit naar heeft verwezen, is dit evenmin gedaan. Noch uit de toelichting noch uit het RIGO-rapport 2020 blijkt in welke wijken van Rotterdam sprake is van schaarste aan de diverse typen woonruimte. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat in de wijk sprake was of is van schaarste aan woonruimte en van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten die het opnemen van een verbod tot woningvorming, met vergunningplicht, rechtvaardigde.”

Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat het betreffende hoofdstuk van de huisvestingsverordening 2019, dus inclusief de daarin opgenomen vergunningplicht voor kamerbewoning, buiten toepassing moet worden gelaten.

Gevolgen van de uitspraak

Voordat ingegaan wordt op de gevolgen van deze uitspraak, drie opmerkingen:

  1. in hoger beroep kan de Raad van State tot een ander oordeel komen dan de rechtbank (uiteraard indien en voor zover de gemeente hoger beroep instelt);
  2. de rechtbank wijst de gemeente nadrukkelijk op de mogelijkheid dat alsnog kan worden gemotiveerd dat een vergunningplicht voor kamerbewoning in de betreffende wijk ten tijde van het vaststellen van de verordening gerechtvaardigd was;
  3. de uitspraak betreft een kwestie onder de verordening 2019 en niet de nu geldende verordening 2021. Aangezien de verordening 2021 ook onderbouwd is met het door de rechtbank genoemde RIGO-rapport 2020, ligt het in de rede dat ook dat deel van de verordening 2021 buiten toepassing moet worden gelaten.

Indien er op dit moment lasten onder dwangsom zijn opgelegd op grond van het niet voldoen aan de verordeningen 2019 en 2021, kan onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank worden betoogd dat die lasten ten onrechte zijn opgelegd. Er gold, zo kunnen we inmiddels constateren, geen vergunningplicht en dus kan er dan ook geen sprake zijn van overtreding van de vergunningplicht. Dat zou ertoe moeten leiden dat de lasten herroepen worden, in elk geval voor zover de besluiten tot oplegging van de last (en/of de invorderingsbeschikking) nog niet onherroepelijk zijn geworden.

Daarnaast lijkt het erop dat, met deze uitspraak in de hand, zonder vergunning kamers kunnen worden verhuurd aan drie of meer kamerbewoners. Er geldt dus (al dan niet tijdelijk) geen vergunningplicht meer.

De vraag is echter wat er gebeurt als de gemeente erin slaagt de onderbouwing aan te vullen overeenkomstig de eisen die de rechtbank daaraan stelt. De rechtbank lijkt te oordelen dat de vergunningplicht dan alsnog herleeft. Dat betekent dat in de vergunningvrije periode aangevangen kamerbewoning alsnog vergunningplichtig zou worden en er dan ook aan alle voorwaarden zou moeten worden voldaan.

Dat laatste is met name interessant, omdat op dit moment (op grond van de verordening 2021) een vergunningenstop geldt. Er wordt voor nieuwe gevallen geen vergunning meer verleend (in elk geval tot september 2022). Alleen situaties die al bestonden op 30 juni 2021 (3 kamerbewoners) of 31 december 2019 (4 studerende kamerbewoners) komen momenteel voor vergunningverlening op grond van een overgangsregeling in aanmerking. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of nu nieuw aangevangen kamerverhuur, na de reparatie van de onderbouwing van de verordening kan komen te vallen onder een overgangsregeling. Op voorhand is dat bepaald onzeker. In het uiterste geval zal dat dan te zijner tijd leiden tot het opleggen van lasten onder dwangsom om de (dan opnieuw) vergunningplichtige kamerbewoning te doen staken.

Slot

Heeft u vragen over de vergunning voor kamerbewoning in Rotterdam? Neem dan contact met ons op!

Klik hier voor de tekst van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:1764).

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Ronald van Nooijen.

Read more about Ronald van Nooijen
Ronald van Nooijen
Ronald van Nooijen

Ronald van Nooijen

Lawyer