Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Een voorlopige voorziening, maar definitieve schade

Een onjuiste uitspraak in een beroep tegen een omgevingsvergunning, is natuurlijk pijnlijk. Maar helemaal vervelend wordt het wanneer het proces om dat in hoger beroep te herstellen, tijd- en geldrovend is. Het overkwam een afvalbedrijf in Son en Breugel.

Steigers rond gebouw

Deze column van Stijn Boot verscheen in het tijdschrift Afval! van november 2016.

In 2010 is de Wet algemene bepalingen milieubeheer (Wabo) van kracht geworden. Vanaf dat moment ging de milieuvergunning op in het systeem van de omgevingsvergunning. Omdat de wetgever daarbij één systeem van rechtsbescherming wenselijk achtte, is toen gekozen voor rechtsbescherming in twee instanties. Namelijk eerst beroep bij de rechtbanken en daarna hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Dat was nieuw. Onder de Wet milieubeheer stond tegen een milieuvergunning immers alleen beroep open bij de AbRS. Dat overigens juist vanwege de specifieke deskundigheid van de AbRS in milieuzaken. 
Natuurlijk konden ook door de AbRS in eerste en enige aanleg discutabele uitspraken worden gewezen, maar toch. Deze kwamen relatief snel en waren in ieder geval definitief. Indien de rechtbank - na maanden - komt met een onjuiste uitspraak in beroep, dan kan dat pas na circa een jaar in hoger beroep door de AbRS worden hersteld. Dat terwijl tijd vaak (veel) geld kost. Bijvoorbeeld omdat tussentijds bepaalde bedrijfsactiviteiten geen doorgang mogen vinden. Een voorbeeld van zo’n situatie vormt de uitspraak van de AbRS van 28 september 2016 (201506919/1).

Gebreken

Aan een afvalbedrijf in Son en Breugel werd in november 2014 een omgevingsvergunning voor milieu verleend. Daartegen werd door een naastgelegen recreatiepark beroep ingesteld. De rechtbank kwam acht maanden later met een uitspraak (Rb. Oost-Brabant, 14/4637/8). De rechtbank was van oordeel dat aan de vergunning gebreken kleefden. Deze hadden vooral betrekking op de activiteiten van het bedrijf met betrekking tot teerhoudend asfaltgranulaat (Tag). Volgens de rechtbank was het niet duidelijk wat de bedrijfstijden voor het puinbreken waren. Ook zou onvoldoende onderzoek zijn gedaan naar de mogelijkheid van inpandige opslag. Daarnaast zouden er ten onrechte geen voorschriften zijn gesteld over bodembeschermende voorzieningen. Bovendien meent de rechtbank dat gewicht had moeten worden gehecht aan het feit dat het Tag al langer dan de vergunde periode aanwezig was en er geen concreet zicht zou bestaan op het verwerken ervan. Daarom werd de hele vergunning door de rechtbank vernietigd. Het bedrijf mocht er dus geen gebruik van maken. Maar als klap op de vuurpijl trof de rechtbank ambtshalve ook nog een voorlopige voorziening; een ordemaatregel. Dat mag de rechtbank – indien noodzakelijk – doen op grond van artikel 8:72 lid 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorziening hield in dat het bedrijf helemaal geen Tag meer mocht innemen.

Veertien(!) maanden later deed de AbRS uitspraak in het hoger beroep. De AbRS liet in feite geen spaan heel van de uitspraak van de rechtbank. Het puinbreken valt gewoon onder de representatieve bedrijfsvoering, waarvoor wel degelijk bedrijfstijden waren aangevraagd en vergund. Ook stelt de AbRS vast dat het beleid wel open opslag toestaat. En volgens de AbRS is het juist dat er geen voorschriften zijn gesteld voor de bescherming van de bodem. Dat was niet eens mogelijk omdat daarvoor het Activiteitenbesluit geldt. Verder wijst de AbRS nog op de vaste rechtspraak, die inhoudt dat aspecten van naleving en handhaving niet in de weg kunnen staan aan het verlenen van een aangevraagde vergunning (AbRS 15 oktober 2014, 201311265/1).

Wrang gevoel

Nog pijnlijker is het oordeel van de hoger beroepsrechter over de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening. De rechtbank had volgens de AbRS over het hoofd gezien dat de inname van Tag helemaal niet voor het eerst onderwerp was van een vergunning. Die inname was al eerder toegestaan op grond van een al onherroepelijke vergunning, die door de vernietiging van de laatste vergunning is gaan herleven. Natuurlijk volgt uit artikel 8:81 Awb en de wetsgeschiedenis dat de rechtbank elke noodzakelijke voorziening mag treffen. ). Maar een voorziening mag alleen betrekking hebben op het besluit wat in beroep ter beoordeling voorligt, aldus de AbRS.

Het bedrijf zal uiteindelijk opgelucht hebben gereageerd op de uitspraak in hoger beroep, maar vast niet zonder een wrang gevoel dat dit voorkomen had kunnen worden en dat het betaalde leergeld, de ontstane schade, voor haar rekening is gekomen en zal blijven.

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Read more about Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Lawyer - Partner