Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Afval of hout, lood om oud ijzer?

Afvalbedrijven hebben bij omwonenden vaak een slechte naam. De ervaring leert dat de komst van een afvalbedrijf steevast leidt tot verzet. Omwonenden vrezen meer overlast en vinden afvalbedrijven ruimtelijk gezien niet thuis horen in de omgeving. Een recente uitspraak laat zien dat de hoogste bestuursrechter die koudwatervrees niet heeft.

Blogafbeelding omgevingsrecht

Deze column van Stijn Boot verscheen in het tijdschrift Afval! van augustus 2018.

Op een solitair bedrijventerrein in het bosrijke buitengebied van Almen was een groothandel in houtmaterialen aanwezig. Dat tegen de zin van omwonenden. Dezen waren dan ook verheugd dat het bedrijf vertrok. De vreugde duurde maar kort. Het terrein werd gekocht door rubberrecycler Doornberg, die de activiteiten opstartte, maar nog wel een vergunning moest verkrijgen. Tot verbazing van de buurt verleende de gemeente de omgevingsvergunning. Daarvoor is afgeweken van het bestemmingsplan. Op de locatie mocht zich alleen een bedrijf vestigen in de opslag en distributie van houtproducten met milieucategorie 3.1. De activiteiten van het afvalbedrijf, waarschijnlijk met milieucategorie 4.1, waren dus niet toegelaten. De planregels voorzagen echter in een afwijkingsbevoegdheid voor de vestiging van een andersoortig bedrijf, mits dat bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met het wel toegelaten bedrijf of in een lagere milieucategorie valt.

De omwonenden stapten naar de rechter met de stelling dat een afvalbedrijf in een zwaardere milieucategorie niet vergelijkbaar is met een groothandel in houtproducten. Ook zou de gemeente ten onrechte niet getoetst hebben aan de nadere eis voor de lagere maximale hoogte van de houtopslag. Er zou sprake zijn van hinderlijker geluid, geurhinder, meer gevaar en een afvalbedrijf zou visueel minder passen in de omgeving. De rechter ging er niet in mee (ECLI:NL:RVS:2018:232).

Vergelijkbaar en niet gelijk

De Afdeling is namelijk van oordeel dat het bestemmingsplan niet eist dat het bedrijf moet vallen in dezelfde milieucategorie als het wel toegelaten bedrijf. Uitsluitend is van belang of het nieuwe bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is. Het gaat dus niet om een formele, maar een inhoudelijke toets. Daarbij mag alleen worden uitgegaan van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De voor het oude bedrijf geldende nadere eis voor de opslaghoogte mag daarbij niet worden betrokken. De Afdeling merkt verder op dat het best kan zijn dat een afvalbedrijf en een houthandel van elkaar verschillen als het gaat om gevolgen voor de omgeving, maar vereist is een vergelijkbare situatie, en niet een volledig gelijke situatie. Ook wat betreft de visuele aspecten gaat de rechter niet mee in de emoties. De bedrijven zijn vergelijkbaar simpelweg omdat het bestemmingsplan geen eisen stelt aan opslaghoogte en landschappelijke inpassing. In dat kader hecht de rechter er tevens belang aan dat er niets veranderd aan de zichtbaarheid van het terrein.

Na de overweging dat het voor gevolgen voor de omgeving niet relevant is dat het gaat om de opslag van afvalstoffen, gaat de rechter over tot het inhoudelijk vergelijken van de milieuaspecten. Nergens blijkt uit dat er meer of hinderlijker geluid zal ontstaan. Ten aanzien van geur volgt uit onderzoek dat er bij woningen geen of nauwelijks hinder valt te verwachten, terwijl vaststaat dat door de houthandel geen sprake is van geurhinder. De rechter gaat voorbij aan de geurklachten en meent dat de situatie voldoende vergelijkbaar is. Voorts overweegt de rechter dat het risico op brand nagenoeg gelijk is en het bij hout en bij rubber gaat om brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen. Dat er mogelijk een verschil in blusbaarheid bestaat is onvoldoende om aan te nemen dat de bedrijven onvergelijkbaar zijn. Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

De rechter lijkt dus niet mee te gaan in het maatschappelijk gevoelde sentiment. Afvalbedrijven zijn geen buitencategorie die dwingt tot het uitvoeren van een andere of indringender toets. Een volledig gelijke situatie is niet vereist, maar alleen een vergelijkbare situatie, waarbij er zelfs marge lijkt te bestaan. Voor omwonenden lijkt de les te zijn de pijlen (nog) meer te richten op de inhoudelijke vergelijking van milieueffecten. Wat rest is een overpeinzing: hoe zou de uitspraak zijn geweest als de gemeente niet bereid was geweest af te wijken van het bestemmingsplan? Dat zou mogelijk nog meer duidelijkheid bieden.

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Read more about Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Lawyer - Partner