Iedereen is onbeperkt welkom in beroep!
Voor afvalbedrijven lijkt een procedure over varkens in Limburg nou niet echt relevant. Maar opeens is dat anders. Totdat de wetgever de wet heeft aanpast, heeft deze zaak namelijk grote gevolgen voor het procesrecht in alle omgevingsrechtelijke procedures.
Wat is er aan de hand? Het Nederlandse procesrecht bepaalt dat organisaties of personen alleen in beroep mogen gaan tegen (met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand gekomen) besluiten als zij tegen het eerdere ontwerpbesluit een zienswijze kenbaar hebben gemaakt. Bovendien mag alleen een belanghebbende dat doen; iemand die rechtstreeks in een persoonlijk belang wordt getroffen.
Enige tijd geleden behandelde de rechtbank Limburg beroepen in een procedure over varkens van een niet-belanghebbende en van een belanghebbende. Beiden hadden geen zienswijze kenbaar gemaakt tegen het voorafgaande ontwerpbesluit. Dat zou normaal gesproken hebben geleid tot niet-ontvankelijke beroepen. Maar bij de rechtbank kwam in deze zaak de vraag op of ons procesrecht in strijd is met het (hogere) Verdrag van Aarhus. Dat verdrag gaat over toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming, en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden.
Voorlopige uitkomst
De rechtbank Limburg heeft toen voor uitleg van het antwoord prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.1 Het hof heeft deze beantwoord in een arrest.2 Daarna heeft de rechtbank uitspraak gedaan3 en recent heeft ook de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, meerdere uitspraken gewezen.4 De uitkomst van dit alles is voorlopig als volgt:
- Het Nederlandse procesrecht is inderdaad niet in overeenstemming met het hogere verdragsrecht. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat voorschrijft dat alleen in beroep kan worden gegaan als eerder tegen het ontwerpbesluit een zienswijze kenbaar is gemaakt, is in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Het gevolg is dat het recht van een belanghebbende om in omgevingsrechtelijke zaken in beroep te gaan niet meer afhankelijk is van het eerder indienen van een zienswijze.
- Dit heeft ook gevolgen voor de zogenaamde ‘onderdelentrechter’ die de rechter toepaste. Die hield in dat men niet in beroep mag opkomen tegen onderdelen van het besluit die niet eerder in de zienswijze tegen het ontwerpbesluit waren opgevoerd. De huidige uitspraak houdt in dat belanghebbenden dus ook in beroep mogen gaan tegen onderdelen van het besluit waartegen zij niet eerder een zienswijze indienden.
- Verder heeft de Raad van State bij uitspraak van 4 mei 20215 - tegen de achtergrond van hetzelfde arrest van het Europese hof - overwogen dat als iemand géén belanghebbende is bij een besluit (dus eigenlijk geen beroepsrecht heeft), maar wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, die persoon ook in beroep mag gaan.
- Wel blijft het ‘relativiteitsvereiste’ (artikel 8:69a Awb) gelden. Dit houdt in dat de rechter een besluit niet mag vernietigen vanwege schending van een rechtsregel die niet tot doel heeft om het belang van degene die in beroep komt te beschermen. Met andere woorden: er moet wel een verband bestaan tussen de beroepsgrond en het belang waarin de persoon die in beroep gaat door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.6
- Dit oordeel van de Raad van State – waarop de wetgever nog actie moet ondernemen - geldt voor partijen in alle omgevingsrechtelijke zaken waarin de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Daaronder vallen in elk geval besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de Tracéwet en de Wet natuurbescherming.
Voorspellen
Tot de wetgever de wet heeft aangepast, zijn de gevolgen van deze uitspraak ingrijpend. Als u één of meerdere van deze besluiten/plannen nodig hebt voor het oprichten of veranderen van een inrichting voor het be-/verwerken van afvalstoffen, dan valt niet (meer) vooraf te voorspellen wie in beroep zal mogen opkomen, en welke beroepsgronden uiteindelijk zullen worden opgeworpen. Dit gaat in beroepsprocedures ongetwijfeld leiden tot onwelkome verrassingen!
1 ECLI:NL:RBLIM:2018:12159
2 HvJ 14 januari 2021, C‑826/18
3 ECLI:NL:RBLIM:2021:3600
4 onder meer: ECLI:NL:RVS:2021:786
5 ECLI:NL:RVS:2021:953
6 ECLI:NL:RVS:2021:786