Na de sauna een koud bad?
Onderstaande tekst is de column van Stijn Boot in het Vakblad Afval! van augustus 2022.
Bij het toepassen van het afvalstoffenrecht is het altijd opletten geblazen. De wet- en regelgeving is fijnmazig, er gelden bijzondere bepalingen die voorgaan op algemene regels, en het recht kent (soms) aan meerdere overheden een bevoegdheid toe om handhavend op te treden tegen overtredingen.
Een recent voorbeeld vormt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1896).
In Stevensbeek, dat deel uitmaakte van de gemeente Sint Anthonis (nu Land van Cuijk), exploiteert men al jaren een sauna en een zwemschool. Niets bijzonders, zult u zeggen. Maar het geval wil dat de exploitant vanaf een zeker moment klachten krijgt van omwonenden over hinder door rook en stank. Uiteindelijk komen deze klachten terecht bij de omgevingsdienst Brabant Noord. De toezichthouders van de omgevingsdienst starten een onderzoek. Wat bleek? De exploitant haalde bij bedrijven in de omgeving oude, afgedankte houten pallets op en vervoerde die naar zijn bedrijf. Daar verstookte hij de pallets in een houtstookoven. De warmte ervan werd gebruikt voor het verwarmen van het zwembadwater. Volgens de dienst en burgemeester en wethouders dienen de pallets te worden aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen. De bedrijven ontdoen zich er immers van. Het afvalstoffenrecht eist dan dat bedrijfsafvalstoffen alleen mogen worden afgegeven aan een erkende inzamelaar. Immers, artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) luidt als volgt: "Het is verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen: a. zonder vermelding op een lijst van inzamelaars (…)”.
Vaststaat dat de exploitant niet kan worden aangemerkt als een erkende inzamelaar, die vermeld staat op die lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars.
Dan zou je een discussie verwachten over de vraag of hier inderdaad sprake is van afvalstoffen en of de exploitant aangemerkt kan worden als een inzamelaar. Echter, de Raad van State kiest voor een andere, formele insteek. Klaarblijkelijk is het in de bezwaarfase niet aan de orde gekomen, want de Raad van State stelt zich opeens de vraag of het college van B en W eigenlijk wel bevoegd is om handhavend op te treden tegen (zo dat zo zou zijn) een niet-erkende inzamelaar van (beweerdelijke) bedrijfsafvalstoffen. De Raad van State legt zo de ‘bijl aan de wortel’.
Welnu, in artikel 18.2, eerste lid, van de Wm staat dat B en W van de gemeente waar het bedrijf is gelegen het bevoegd gezag is voor het handhaven van de voorschriften die gelden op grond van de Wm, voor zover dat bij of krachtens de wet is bepaald. Maar in artikel 18.2b, vierde lid, van de Wm staat dat de minister bevoegd is voor het handhaven van de in hoofdstuk 10 van de Wm opgenomen Het college van B en W voert aan, dat omdat het gaat over handelingen door een inrichting binnen de gemeente, zij bevoegd is om te handhaven. De Raad van State maakt daar korte metten mee. Artikel 18.2b, vierde lid, van de Wm wijst de minister aan als bevoegd gezag bij overtreding van artikel 10.45 Wm. Dus is sprake van een bijzondere, voorrang hebbende bevoegdheidsverdeling.
Het besluit op bezwaar wordt daarom vernietigd en de Raad van State herroept de last onder dwangsom. Eind goed, al goed? Dat is nog niet zeker. Zo kan de minister (via de Inspectie Leefomgeving en Transport) besluiten handhaving op te starten. Daarnaast schijnt er nog een andere last te zijn opgelegd, namelijk voor het verbranden van afvalstoffen binnen de inrichting. Ik zal u op de hoogte houden!