Af(val)sluitdijk
Meer dan 10.000 ton aan bouwstoffen en 10.000 m³ grond lagen er opgeslagen op de werklocaties van het bouwconsortium bij Kornwerderzand en Breezanddijk. Volgens de omgevingsdienst zouden deze zijn aan te merken als afvalstoffen. Het ging om basaltstenen, vlijlagen, betonschollen en asfaltgranulaat. De omvang van deze opslag van beweerdelijke afvalstoffen vereist een omgevingsvergunning (milieu).
Het bouwconsortium stelde dat geen sprake is van afvalstoffen, maar overtuigde de omgevingsdienst niet, waarop de gemeente een last onder dwangsom oplegde. Het consortium moest de overtredingen beëindigen, dan wel tijdig de (onder protest ingediende) vergunningaanvraag voor legalisatie aanvullen. Dat laatste deed het bouwconcern en dat leidde later tot het verlenen van de vergunning, maar zij stelde ook beroep in tegen de last onder dwangsom. Om partijen van ‘dienst’ te zijn, moest de rechtbank Den Haag eerst enige (juridisch bezien niet vanzelfsprekende) ‘service’ verlenen. Ten eerste bleek dat niet de gemeente, maar de minister het bevoegde gezag is. Voor de Afsluitdijk geldt namelijk een bijzondere bevoegdheidsregeling. Maar toen de minister ter zitting de last onder dwangsom voor zijn ‘rekening’ had genomen, was dat gebrek volgens de rechtbank hersteld. Ten tweede was het de vraag of er nog wel een belang bij het proces was. Het bouwconsortium had ondertussen immers de juiste vergunning waardoor de last was ‘uitgewerkt’. Maar volgens de rechtbank was toch nog steeds sprake van vereist procesbelang. Het bouwconcern was het namelijk niet eens met de vergunningsvoorwaarden die de minister zei te zullen gaan handhaven. Reden waarom de rechtbank belang aanwezig achtte, omdat het rechtsoordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming.
Macht over de stoffen
Dan de inhoud. Een afvalstof is een stof waarvan de houder zich ontdoet. Stel dat hier sprake is van een afvalstof, wie is dan de houder ervan? Is dat de eigenaar van het werk en opdrachtgever Rijkswaterstaat (RWS), of het bouwconcern dat de stof vrijmaakt uit het bestaande werk en dan op basis van een contract eigenaar van de stof is? De rechtbank oordeelde dat bij houderschap van belang is wie de bezitter van de stof is en wat het moment van de feitelijke levering van die stoffen is. Welnu, totdat de stoffen vrijkomen, is RWS niet alleen de juridische eigenaar ervan, maar heeft zij naar het oordeel van de rechtbank ook de feitelijke macht over de stoffen. RWS biedt de vrijgekomen stoffen aan het bouwconcern aan, zodat die pas op dat moment de feitelijke macht erover verkrijgt. De rechtbank oordeelde daarom dat RWS de houder van de stoffen is op het moment dat ze vrijkomen. Dat de feitelijke levering van de stoffen aan het bouwconsortium door dat consortium zelf plaatsvindt, namelijk wanneer zij de stoffen vrijmaakt, maakte voor de rechtbank geen verschil. Vervolgens beantwoordde de rechtbank de vraag of RWS zich heeft ontdaan van de stoffen, waardoor sprake is van afvalstoffen. De rechtbank overwoog dat alleen als hergebruik van de stoffen direct en voldoende zeker is, er geen sprake is van afvalstoffen. Uit de contractstukken bleek alleen dat de intentie is de stoffen in het werk (of elders) te hergebruiken, maar dat de stoffen anders aan een erkende afvalinzamelaar moeten worden afgegeven. Daarom oordeelde de rechtbank dat niet duidelijk is wat er precies binnen het project wordt hergebruikt, wanneer en onder welke voorwaarden. De intentie is dus te vrijblijvend. Bovendien achtte de rechtbank van belang dat de stoffen een bewerking ondergaan voordat deze voor hergebruik geschikt zijn.
Daarom slaagde het beroep niet. Er is sprake van (vergunningplichtige) opslag van afvalstoffen. Voordeel is wel dat, dankzij de door de rechtbank geleverde ‘service’, de partijen (voorlopig?) weten waar ze aan toe zijn.
Klik hier voor de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 20 december 2022.
[1] ECLI:NL:RBDHA:2022:14578