Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Afgekeurde goedkeuringsvereisten

Aan een bedrijf is in 2006 een omgevingsvergunning verleend om groenafval en vloeibare organische reststoffen te be- en verwerken. Na het vaststellen van nieuwe best beschikbare technieken wilde de provincie Noord-Brabant dat het bedrijf de omgevingsvergunning zou actualiseren, maar het bedrijf weigerde dit te doen. Tegen een ambtshalve actualisatie ging het bedrijf in beroep.

Blogafbeelding omgevingsrecht

Ambtshalve actualisatie

Als bevoegd gezag wilde de provincie al jarenlang dat het bedrijf een revisievergunning ging aanvragen, zodat ze het verouderde en onoverzichtelijke vergunningenbestand kon actualiseren. Het bedrijf hield dit af, waarna de provincie zich genoodzaakt zag over te gaan tot het ambtshalve actualiseren van vergunningvoorschriften. De provincie stelde zich op het standpunt dat zij bevoegd en zelfs gehouden is de vergunningvoorschriften te actualiseren. De Europese richtlijn industriële emissies (Rie), de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo) en nu ook de Omgevingswet (Ow)[1] eisen dat vergunningen worden aangepast, na het vaststellen van nieuwe best beschikbare technieken (BBT). In dit geval ging het om de BBT-conclusies ‘Afvalbehandeling’[2].

In haar uitspraak op 12 april 2024[3] maakte de Rechtbank Oost-Brabant direct duidelijk dat die provinciale bevoegdheid niet onbegrensd is. Gemotiveerd moet worden of het noodzakelijk is voorschriften te wijzigen. Daarbij hoeft niet te worden onderzocht of met de naleving van de bestaande voorschriften hetzelfde beschermingsniveau kan worden bereikt als met de BBT. Volgens de rechtbank is een noodzaak voor wijziging al gegeven als blijkt dat de nieuwe technische ontwikkelingen de milieuverontreiniging verder kunnen beperken.

Op grond van de nieuwe voorschriften moet de bedrijfsvoering in overeenstemming zijn met een nog op te stellen milieubeheersysteem, een acceptatie- en verwerkingsbeleid en een beheersplan geur, geluid en trillingen. Deze moeten vooraf ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overlegd. Volgens de vergunninghouder kan het bevoegd gezag door het goedkeuringsvereiste zo elke eis opleggen, zonder dat de vergunninghouder vooraf inzicht heeft wat van haar verlangd wordt en zonder dat rechtsbescherming openstaat. Het bevoegd gezag vindt deze constructie aanvaardbaar en vooral praktisch.

De rechtbank wijst erop dat uit de rechtspraak volgt dat een goedkeuringsvereiste eerder werd toegestaan, aangezien tegen het goedkeuringsbesluit rechtsbescherming openstaat[4]. Toch heeft de rechtbank hierop kritiek. Ze stelt namelijk vast dat zowel het oude als het nieuwe recht niet verplichten tot publicatie van de goedkeuring. Hierdoor hebben derden geen, of te laat, weet van een genomen goedkeuringsbesluit.

Buitenwettelijke mogelijkheid

Het meest kritisch is de rechtbank als het gaat over de voorschriften over het goedkeuren van evaluaties en herzieningen van systemen of plannen. Hoewel evaluatie en herziening ook volgen uit diverse BBT-conclusies, voorzien die (en ook de wet) niet in een goedkeuringseis. Volgens de rechtbank heeft de vergunninghouder daarom terecht aangevoerd dat de goedkeuringseis het bevoegd gezag de buitenwettelijke mogelijkheid biedt om willekeurige aanvullende maatregelen op te leggen of eisen te stellen, waaraan de vergunninghouder moet voldaan voordat goedkeuring wordt verleend. Als aanvullende maatregelen of eisen worden opgelegd wordt de omgevingsvergunning zelf niet gewijzigd, maar kan de vergunninghouder wel worden geconfronteerd met zwaardere eisen en genoodzaakt zijn om extra investeringen te doen.

Deze onbeperkte buitenwettelijke mogelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in strijd met de rechtszekerheid en met het systeem van de Wabo en de Omgevingswet. Dat neemt overigens niet weg dat uit evaluaties kan volgen dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Dan is volgens de rechtbank de aangewezen weg (ook voor de bescherming van de belangen van derden) dat het bevoegd gezag een nieuw besluit neemt tot het wijziging van de vergunningvoorschriften.

Kortom, aan praktische keuzen – ook over vergunningvoorschriften – staan vaak ‘wetten in de weg en praktische bezwaren’[5]…

Deze column van Stijn Boot verscheen in het Vakblad Afval! van juni 2024.

[1] Art. 21, derde lid onder a van de Rie / artt. 2.30, eerste lid en 2.31a, eerste lid van de Wabo jo. art. 5.10 eerste lid onder a, van het Bor / artt. 5.38 en 5.39 van de Omgevingswet jo. art. 8.99 van het Bkl.

[2] Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1147 van de Commissie van 10 augustus 2018 tot vaststelling van BBT-conclusies voor afvalbehandeling.

[3] Rb. Oost-Brabant, 12 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1490.

[4] AbRS 25 augustus 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AL2877.

[5] Willem Elsschot, ‘het huwelijk’, Rotterdam, 7 mei 1910.

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Read more about Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Lawyer - Partner