Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Vlieg er maar in!

In Vakblad Afval! van augustus 2020 schreef ik over een (mislukte) handhavingszaak tegen een afvalbedrijf op Heijplaat.[1] Deze colum verscheen ook in dit blog. Het bedrijf werd door de provincie Zuid-Holland aangesproken vanwege overlast door vliegen in de woonomgeving. Dat gebeurde op basis van een vergunningsvoorschrift én de algemene zorgplicht. De rechter oordeelde dat het handhavingsbesluit van de provincie niet deugde. Het geldende vergunningvoorschrift zag alleen op het beperken van het aantrekken en de aanwezigheid van vliegen binnen de inrichting. Volgens de rechter bestond er geen ruimte om dan (ook) de algemene zorgplicht aan het handhavend optreden ten grondslag te leggen.[2] In mijn column stelde ik mij op het standpunt dat de algemene zorgplicht zo niet kan worden gebruikt als een extra grondslag. Dat kan alleen als er sprake is van een evidente overtreding van de zorgplicht. Is dat niet het geval, dan dienen eerst (maatwerk)voorschriften te worden gesteld, bijvoorbeeld een redelijk pakket aan concrete maatregelen of een concrete norm, waarna als die worden overtreden, op basis daarvan handhavend kan worden opgetreden.[3] Ik voorspelde dat het bevoegd gezag (na het leveren van bewijs dat het bedrijf de/een bepalende oorzaak van de overlast is) over zou kunnen gaan tot een actualisatie van de vergunningvoorschriften. En die voorspelling kwam ‘vliegensvlug’ uit.

Blogafbeelding omgevingsrecht

Er werd nader onderzoek gedaan naar de waarschijnlijke oorzaak en de vergunningvoorschriften werden gewijzigd. Daartegen werd door het bedrijf beroep ingesteld, maar ik ‘vlieg’ direct door naar de uitkomst van het hoger beroep bij de Raad van State.[4]

In dit hoger beroep werd veel discussie gevoerd over het onderzoek dat het bevoegd gezag had laten uitvoeren naar de oorzaak en de omvang van de vliegenoverlast. De Raad van State liet daarom de Stichting advisering bestuursrechtspraak adviseren. Natuurlijk werd ook op de uitkomst daarvan – het onderzoek dat het bedrijf aanwees als een veroorzaker, werd valide geacht – kritiek geuit door het bedrijf. Maar zoals vaak gaat de Raad van State in beginsel uit van de juistheid van de door ‘zijn’ adviseur getrokken conclusies.

Vervolgens werden de (vele) nieuwe vergunningvoorschriften inhoudelijk besproken door de rechter. De belangrijkste is wat mij betreft voorschrift 1.1.2. Dat voorziet in het door een erkende deskundige laten opstellen van een, door het bevoegd gezag goed te keuren, ongedierte-, knaagdieren- en insectenbestrijdings- en preventieplan. Dit plan dient elke twee jaar te worden geactualiseerd. Ook is aangegeven wat het plan in ieder geval moet bevatten, namelijk een inventarisatie naar ontstaansbronnen, (bron)maatregelen en een aantal specifieke maatregelen die moeten worden onderzocht.

Door het bedrijf voerde echter aan dat dit plan ten onrechte ziet op meer dan alleen vliegen en dat het toch daar om te doen was. Begrijpelijk, en als het een handhavingszaak zou zijn terecht. Maar het gaat hier om het in het belang van het beschermen van het milieu te stellen voorschriften. De Raad van State gaat (daarom vrij makkelijk) mee in de motivering van het bevoegd gezag. Die luidde dat het bekend is dat afval een aantrekkende werking heeft op allerlei soorten (plaag)dieren. Dit heeft, door de ligging van het bedrijf in de nabijheid van de woonwijk, tot gevolg dat ook andere insecten, ongedierte of knaagdieren daar overlast kunnen veroorzaken. Omdat het woongenot van de bewoners in het geding is, draagt een ruimer voorschrift bij aan de toekomstbestendigheid van de omgevingsvergunning om zo toekomstige geschillen te voorkomen.

Ook verzette het bedrijf zich tegen het goedkeuringsvereiste. Dat zou rechtsonzeker zijn. Het bedrijf is dan immers afhankelijk van het bevoegd gezag voor het verkrijgen van goedkeuring. Het bevoegd gezag kan wel van alles gaan eisen of niets goedkeuren en dan is het bedrijf in overtreding. Het klopt dat een goedkeuringsvereiste – om die reden – niet zonder meer wordt toegestaan.[5] De Raad van State zag in dit geval geen probleem. In het voorschrift staat namelijk omschreven waar het plan aan moet voldoen, zodat het voldoende duidelijk is wanneer het college zo’n plan kan goedkeuren. Tegen een besluit over goed- of afkeuring van het plan staan bovendien rechtsmiddelen open, aldus de Raad van State.

Daarmee is (ook) voorschrift 1.1.2 onherroepelijk. Het moet worden uitgevoerd en op basis ervan kan er – na dit kunst en vliegwerk – waarschijnlijk wel handhavend worden opgetreden.

Deze column van Stijn Boot verscheen in het Vakblad Afval! van december 2024.

[1] Vakblad Afval! augustus 2020, “Uit de bocht vliegen”

[2] Uitspraak van de voorzieningenrechter bij de rechtbank Den Haag van 12 juni 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:5423)

[3] Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1896)

[4] Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4261)

[5] Uitspraak rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:1490)

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Read more about Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Lawyer - Partner