Skip to main content Skip to footer Skip to search Skip to menu

Babylonische spraakverwarring?

Stichting Babylon neemt gebruikte kleding in. Zij doet dit door het plaatsen van kledingcontainers op plekken in Den Haag. Op enig moment constateerde de gemeente dat er op veertien locaties containers van Babylon stonden. Volgens de gemeente handelde Babylon daardoor in strijd met de gemeentelijke afvalstoffenverordening.[1] Het is namelijk verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen als je (kort gezegd) geen aangewezen inzamelaar bent. Daarom besloot de gemeente aan Babylon een last onder bestuursdwang op te leggen om deze containers binnen vijf werkdagen te verwijderen. Na het verstrijken van de termijn stelde de gemeente vast dat twee van de containers van Babylon niet waren verwijderd. Daarop paste de gemeente bestuursdwang toe. De containers zijn in opdracht van de gemeente verwijderd. Vervolgens heeft de gemeente de gemaakte kosten met een invorderingsbeschikking bij Babylon in rekening gebracht. Het bezwaar van Babylon tegen de last en tegen de invordering van de kosten werd afgewezen. Daartegen ging Babylon in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) en die deed uitspraak.[2]

Blogafbeelding omgevingsrecht

Dus lag als eerste de meest verstrekkende beroepsgrond voor of überhaupt sprake is van afvalstoffen. De Afdeling wijst erop, dat het (Europese) Hof van Justitie vindt dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant. Ook is van belang of de stof in kwestie voor de houder geen nut (meer) heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Verder is van belang of de goederen kunnen worden gekwalificeerd als tweedehands goederen die zonder voorafgaande bewerking zeker en op een vergelijkbare wijze worden hergebruikt.[3]

Vaststaat dat de kleding wordt gescheiden in bruikbare en onbruikbare kleding en dat de onbruikbare kleding wordt verwerkt door een recyclingbedrijf. Daarom overweegt de Afdeling dat bij recycling van kleding geen sprake is van hergebruik zonder bewerking en als niet zeker is dat de kleding op een vergelijkbare manier kan worden hergebruikt. Het is daarom aannemelijk dat een deel van de kleding een last is, men zich ervan ontdoet, en dat dus sprake is van een afvalstof. Dat kan ik best volgen.

Maar dan… Dat maar een klein deel van de ingezamelde kleding volgens Babylon wordt gerecycled doet daar volgens de Afdeling niet aan af. Ook in dat geval is (en dan in totaal?) sprake van de inzameling van afvalstoffen. Dat lijkt mij te kort door de bocht. Ook dat is volgens mij een relevante omstandigheid van het geval, die (kenbaar) bij het oordeel dient te worden betrokken. Of heeft de Afdeling aan willen geven dat Babylon er niet in is geslaagd te bewijzen dat het onbruikbare deel van de kleding in omvang ondergeschikt is aan het bruikbare deel van de kleding? Maar zeg dat dan!

Wat rest is helaas een ‘Babylonische spraakverwarring’[4] over mogelijk gewekt vertrouwen. Babylon beriep zich namelijk op een eerder handhavingsbesluit dat de gemeente later herriep. Dat deed de gemeente niet omdat er geen sprake was van afval, maar omdat de containers in strijd met de Algemene plaatselijke verordening aan de openbare weg waren geplaatst.

Jammer vind ik het ook dat de Afdeling niet is ingegaan op de beroepsgrond over de noodzakelijke evenredigheid van het handhaven. Deze beroepsgrond zou echter te laat zijn aangevoerd, namelijk voor het eerst op de zitting zelf.

Zo blijft de voor mij meest relevante vraag boven de markt hangen. Namelijk de vraag of een hele partij moet worden aangemerkt als een afvalstof, als slechts een ondergeschikt deel ervan als afval kan worden aangemerkt.

Deze column van Stijn Boot verscheen in het Vakblad Afval! van december 2025.

[1] De inhoud van verordeningen verschilt per gemeente.

[2] Uitspraak van de AbRS van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4665.

[3] Uitspraak van de AbRS van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:543.

[4] Statenvertaling, Genesis 11:7-9: “Laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore. Alzo verstrooide hen de Heere van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Daarom noemde men haar naam Babel.”

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Read more about Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Lawyer - Partner