Overslaan en naar de inhoud gaan Overslaan en naar de footer gaan Overslaan en naar de zoekbalk gaan Overslaan en naar de navigatie gaan

Betaling dwangsom na verjaring invorderingsbevoegdheid is onverschuldigd

Als niet tijdig wordt voldaan een last onder dwangsom, verbeurt de overtreder de dwangsom. De bevoegdheid tot invordering van die dwangsom door het bestuursorgaan verjaart na een jaar. Wordt de dwangsom na de verjaring van de invorderingsbevoegdheid alsnog betaald, dan is die betaling onverschuldigd, zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 10 februari 2021 geoordeeld.

Blogafbeelding omgevingsrecht

Last onder dwangsom

Als aan een overtreder een last onder dwangsom wordt opgelegd, moet in het besluit tot oplegging van de last een begunstigingstermijn worden opgenomen. Voldoet de overtreder binnen die termijn aan de last, dan verbeurt hij geen dwangsom. Wat nu echter, als hij niet (tijdig) aan de last voldoet?

Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de overtreder in dat geval van rechtswege de opgelegde dwangsom verbeurt. Hij moet de dwangsom binnen zes weken na het verbeuren ervan betalen aan het bestuursorgaan (art. 5:33 Awb).

Betaalt de overtreder niet, dan kan het bestuursorgaan de dwangsom invorderen. Daartoe moet het bestuursorgaan dan eerst besluiten en een zogeheten invorderingsbeschikking geven (art. 5:37 Awb). Deze bevoegdheid tot het invorderen van een dwangsom verjaart na één jaar (art. 5:35 Awb). Dat is een relatief korte verjaringstermijn. De verjaring kan worden gestuit door binnen het jaar een duidelijke aanmaning aan de overtreder te sturen. Dan gaat een nieuwe termijn van een jaar lopen.

Betaling na verjaring invorderingsbevoegdheid

Wat nu als de invorderingsbevoegdheid al is verjaard en de overtreder, bijvoorbeeld na ontvangst van een invorderingsbeschikking, toch de verbeurde dwangsom betaalt? In een uitspraak uit 2018 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog dat de verjaring van de invorderingsbevoegdheid niet betekende dat de betaling van de dwangsom onverschuldigd was. Met andere woorden: als de betaling door het bestuursorgaan niet meer kan worden afgedwongen, blijf je als overtreder toch gehouden tot betaling. Besluit je dan te betalen, dan kan je die betaling niet vervolgens terugeisen.

In een uitspraak van 10 februari 2021 komt de Afdeling bestuursrechtspraak echter tot een ander oordeel:

“Dat [appellante] op 29 maart 2019 de verschuldigde dwangsommen heeft betaald, brengt, anders dan het college betoogt, niet met zich dat van verjaring geen sprake meer is. De bevoegdheid tot invordering was op dat moment reeds verjaard, zodat de verbeurde dwangsommen niet meer bij [appellante] konden worden ingevorderd. [appellante] heeft op 29 maart 2019 daarom onverschuldigd betaald.”

Betaalt de overtreder na verjaring van de invorderingsbevoegdheid toch de dwangsom? Dan is die betaling dus op grond van deze uitspraak aan te merken als een onverschuldigde betaling. Dat betekent dat de overtreder op grond van artikel 6:203 BW terugbetaling van het betaalde bedrag kan vorderen bij het bestuursorgaan.

Nieuwe lijn Afdeling bestuursrechtspraak?

De Afdeling bestuursrechtspraak komt in de uitspraak van 10 februari 2021 dus tot een ander oordeel dan in 2018. Daaraan worden in deze uitspraak verder geen woorden vuilgemaakt. De vraag is dan ook of de Afdeling bestuursrechtspraak hiermee bewust een nieuwe weg is ingeslagen en voortaan altijd betaling van dwangsommen na verjaring van de invorderingsbevoegdheid als onverschuldigd zal aanmerken. Dat neemt niet weg dat deze uitspraak nu al een goed argument biedt om te proberen dwangsommen die betaald zijn na verjaring van de invorderingsbevoegdheid terug te vorderen.

Klik hier voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Ronald van Nooijen.

Lees meer over Ronald van Nooijen
Ronald van Nooijen
Ronald van Nooijen

Ronald van Nooijen

Advocaat