Kies maar: een beperkte vergunning of handhaving?!
Soms komt het bevoegd gezag voor een moeilijke keuze te staan en daardoor ook een vergund bedrijf. Een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant[1] laat een mooi voorbeeld zien.
Een vergunde afvalverwerker heeft als hoofdactiviteit het recyclen van afgedankte elektronische en elektrische apparatuur (AEEA). De inrichting omvat een IPPC-installatie, dus is de provincie het bevoegd gezag. Er vinden werkzaamheden op het buitenterrein plaats. Dat is de provincie een ‘doorn in het oog’. Er komt stof bij vrij en hemelwater raakt verontreinigd met zware metalen. Handhavingsprocedures zijn – jarenlang - het gevolg. Uiteindelijk oordeelde de Raad van State dat het lozen van verontreinigd hemelwater op het schoonwaterriool en uiteindelijk op het kanaal nooit is aangevraagd en dus ook niet is vergund.[2]
Wat dan te doen? Het bedrijf diende een aanvraag in voor een vergunning voor onbepaalde tijd voor een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI). Bij de beoordeling van die aanvraag heeft het waterschap als adviseur aangegeven dat fysisch-chemische zuivering niet de best beschikbare techniek (BBT) is voor zeer verdunde regenwaterstromen met zware metalen die als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen worden aangemerkt. Bovendien kwam de provincie tot de conclusie dat niet wordt voldaan aan de in de BREF opgenomen BBT-maatregelen. Deze gaan namelijk uit van voorkomen van emissie naar water, bijvoorbeeld door werkzaamheden inpandig te laten plaatsvinden. Daarenboven zouden de in de BBT gestelde grenswaarden volgens de provincie niet toereikend zijn gezien de waterkwaliteitsdoelstellingen van het kanaal en de strengere emissie-eisen die volgen uit de richtlijn industriële emissies (RIE). Daarom had de provincie de vergunning eigenlijk moeten weigeren.[3] Maar wat dan? Er moet iets gebeuren en blijven handhaven lijkt in niemands belang te zijn...
De provincie maakt dan de keuze de ‘proef op de som te nemen’. Men verleende de vergunning onder voorwaarden en met strengere grenswaarden dan die volgen uit de BBT. Daarnaast wordt de vergunning slechts voor de duur van 3 jaar verleend. Daarna zal evaluatie plaatsvinden en worden bezien of verdergaande technieken zijn vereist. Het bedrijf is het hier niet mee eens. Niet met de voorwaarden en niet met de tijdelijkheid van de vergunning. Het is aan de Rechtbank Oost-Brabant hierover te oordelen.
De rechtbank heeft echter begrip voor de keuze van de provincie: “Op deze manier kan door monitoring worden onderzocht wat de resultaten van deze techniek zijn en of van eiseres in redelijkheid kan worden gevergd om verdergaande technieken toe te passen (zoals omgekeerde osmose, andere zuiveringstechnieken of toch het overkappen van het buitenterrein). De rechtbank begrijpt de bedoeling van het college aldus dat een tijdelijke oplossing wordt vergund in plaats van het alternatief (weigeren en wederom verscherpt toezicht houden op de naleving van de oorspronkelijke vergunning).”
Wel gaat het vergunningvoorschrift ‘onderuit’ dat verplicht tot het inpandig uitvoeren van bepaalde handelingen met afvalstoffen. Volgens de provincie stond dat in de aanvraag, maar de rechtbank oordeelde dat in de aanvraag geen wijzigingen in de handelingen met afvalstoffen zijn aangevraagd. Het noemen van een vergunde handeling in een document betekent niet dat deze handeling nog een keer wordt aangevraagd. Door een extra voorschrift op te nemen over handelingen die al zijn vergund en niet zijn aangevraagd, is de provincie buiten de grondslag van de aanvraag getreden. Dat mag niet. Dan had de provincie ervoor moeten kiezen de vergunning(voorschriften) te actualiseren.[4]
‘Eind goed, al goed’ (tot aan de evaluatie na 3 jaar)? Of gaat het bedrijf in hoger beroep omdat het door de rechtbank getoonde begrip voor de keuze van de provincie geen recht doet aan het uitgangspunt dat beslist moet worden op de grondslag van de aanvraag? Maar ja, als dat succes heeft, dan is handhaving van het niet-vergunde lozen waarschijnlijk het gevolg. Ook dat is een moeilijke keuze.
Deze column van Stijn Boot verscheen in het Vakblad Afval! van maart 2024.
[1] Uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:26)
[2] Uitspraak AbRS van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:202)
[3] Artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1, van de Wabo
[4] Artikel 2.31a van de Wabo