Overslaan en naar de inhoud gaan Overslaan en naar de footer gaan Overslaan en naar de zoekbalk gaan Overslaan en naar de navigatie gaan

Vaagheid troef?

In het proces te komen tot een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gebeurt het vaak: de documenten die ten grondslag liggen aan een vergunningaanvraag, zoals de niet-technische beschrijving van de activiteiten, zijn ietwat ruim of algemeen geformuleerd. Daarmee wil de aanvrager meestal wat flexibiliteit behouden. Maar als de documenten te algemeen of zelfs vaag zijn, dan zal het bevoegd gezag moeten aandringen op het verkrijgen van detailinformatie. Zonder die informatie moeten bepaalde activiteiten in de vergunning worden uitgesloten of door middel van vergunningvoorschriften worden verboden of beperkt. Het is naar mijn mening steeds zoeken naar evenwicht. Een recent voorbeeld vormt een handhavingszaak waarin de rechtbank Limburg op 18 april uitspraak deed.

Blogafbeelding omgevingsrecht

Het bevoegd gezag had lasten onder dwangsom opgelegd voor het overtreden van de vergunning en/of het handelen zonder vergunning met betrekking tot de opslag van geuremitterend verpakkingsafval van plastic, metaal en drankenkartons (pmd). Het bedrijf mocht niet langer dit soort pmd aanvoeren en accepteren en moest het aanwezige afval afvoeren. Als na afloop van de gestelde termijn nog overtredingen plaatsvonden, zou de afvoer van het afval plaatsvinden door het bevoegd gezag en zouden de kosten hiervoor op het bedrijf worden verhaald. Voor de duidelijkheid: de acceptatie van pmd is weliswaar vergund, maar de vraag was of de inname en opslag van geuremitterend pmd was vergund.

Het bevoegd gezag stelde dat op grond van bijlage 3 van de aanvraag, die deel uitmaakt van de verleende vergunningen, gemengde verpakkingen mogen worden geaccepteerd en los mogen worden opgeslagen, mits deze afvalstroom de milieu-eigenschap “niet-geuremitterend” heeft. In de aanvraag is volgens het bevoegd gezag namelijk niet aangegeven dat de afvalstof “gemengde verpakkingen” een geurbelasting heeft. Om deze reden zijn er dan ook geen aanvullende voorschriften opgelegd, terwijl dat wel is gedaan voor andere afvalstromen waar geur zou kunnen ontstaan. Met andere woorden: het bevoegd gezag mocht op grond van de aanvraag en de bijbehorende stukken ervan uit gaan - zonder het doen van navraag of het moeten stellen van verboden - dat geen sprake zou zijn van het emitteren van geur. Daarentegen stelde het bedrijf zich op het standpunt dat alleen de voorschriften bepalen wat niet is toegestaan. De genoemde bijlage 3 bij de aanvraag en de vergunning zou daarbij niet relevant zijn. Temeer daar de voorschriften niet verwijzen naar die bijlage. Oftewel: als het bevoegd gezag dit wilde uitsluiten of beperken, dan had het dat door middel van een voorschrift moeten doen. Daarom is het aan de rechtbank een oordeel te vellen waar het evenwicht ligt.

De rechtbank stelt vast dat in de vergunningen is aangegeven dat de aanvraag inclusief aanvullende gegevens deel uitmaken van de vergunning. Volgens de rechtbank betekent dit dat de aanvraag en de daarbij behorende stukken bepalend zijn voor de vraag voor welke activiteiten de omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank wijst vervolgens op bijlage 3 bij de aanvraag, waarin is opgenomen dat de gemengde verpakkingen, uitpandig los worden opgeslagen en de eigenschap “niet geuremitterend” hebben. Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat de omgevingsvergunningen zijn aangevraagd en vergund voor gemengde verpakkingen die niet geuremitterend zijn. Het bevoegd gezag diende dan ook op basis van de aanvraag te beslissen en moest er daarbij dus van uitgaan dat de opslag van gemengde verpakkingen geen geur zou emitteren. Het was dus niet gehouden daarvoor specifieke voorschriften te stellen.

Er kan niet meer zijn vergund dan is aangevraagd: wie een vergunning aanvraagt voor niet geuremitterend pmd, kan geen vergunning voor geuremitterend pmd verwachten. Maar het oordeel had eenvoudig anders kunnen luiden. Een enkel woord of (bij)zin de stukken bij de aanvraag kan bepalen wat wel/niet is aangevraagd. En dat bepaalt weer of de aanvrager explicieter had moeten zijn of het bevoegd gezag explicieter zaken had moeten uitsluiten door middel van het stellen van voorschriften. Vaagheid is voor niemand troef.

Klik hier voor de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 18 april 2023.

In gesprek over uw situatie? Neem direct contact op met Stijn Boot.

Lees meer over Stijn Boot
Stijn Boot
Stijn Boot

Stijn Boot

Advocaat - Partner