Verrassing!
Waar een last onder dwangsom binnen een jaar na het verbeuren moet worden ingevorderd, kunnen bestuursdwangkosten veel later alsnog worden verhaald. Dat kan jaren later tot vervelende verrassingen leiden.
Deze column van Stijn Boot verscheen in het tijdschrift Afval! van mei 2019.
De overheid kan handhavend optreden tegen overtredingen, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom of door het uitoefenen van bestuursdwang. In het eerste geval wordt de overtreder op straffe van dwangsommen ‘geprikkeld’ om de overtreding zelf te beëindigen. In het tweede geval maakt de overheid een eind aan de overtreding en worden de kosten verhaald op de overtreder. Bij het verbeuren van een dwangsom moet de overheid de dwangsom binnen één jaar invorderen, anders vervalt deze. Voor het verhalen van de bestuursdwangkosten is dat minder duidelijk geregeld. Uit de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:437) volgt dat deze kosten zelfs jaren later gewoon kunnen worden verhaald. Een verrassing voor de overtreder die er al jaren niets meer over had vernomen.
Prikkel
Eerst de feiten. In 2010 ontvangt de overtreder een last onder bestuursdwang. Vóór een bepaalde datum moest men de overtreding ongedaan maken. Zo niet, dan ging de overheid dat doen op kosten van de overtreder. In 2011 zijn de werkzaamheden in opdracht van de overheid uitgevoerd. Klaarblijkelijk had de betreffende overheid het erg druk, want pas in 2016 is bij besluit de hoogte van de verschuldigde kosten vastgesteld.
Bij de rechter stelt de overtreder zich op het standpunt dat de vordering van de overheid inmiddels is verjaard. Volgens de overtreder is de wetgever vergeten om, zoals wel is gedaan voor verbeurde dwangsommen, iets te regelen over het verval of verjaren van vorderingen tot verhaal van bestuursdwangkosten. Daarom zou, zoals ooit in de wetsgeschiedenis is opgenomen, aangesloten moeten worden bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarmee zou de verjaringstermijn vijf jaar bedragen, die ingaat op het moment dat de schuldeiser bekend is met de kosten en met de persoon op wie deze kosten kunnen worden verhaald.
Volgens de Afdeling is verjaring niet aan de orde. De rechter meent dat de wetgever niets is vergeten en dat daarom niet mag worden aangesloten bij het BW. In plaats daarvan zijn volgens de Afdeling de algemene artikelen over bestuurlijke geldschulden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Ook dan is de verjaringstermijn vijf jaar, maar die termijn gaat pas lopen op het moment dat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Die betalingstermijn volgt volgens de Afdeling uit de in 2016 genomen kostenverhaalsbeschikking. Juist of niet, dat is in ieder geval niet echt een prikkel voor de overheid om – in het belang van een goede verstandhouding met de burger - voortvarend te werk te gaan.
'Overheidsvriendelijke' lijn
Ook een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel kon de overtreder niet baten. De Afdeling schrijft dit weg met de overweging dat de overheid na ontvangst van de factuur weliswaar lang heeft gewacht met het nemen van de kostenverhaalbeschikking, maar dat dat geen reden is om van het verhaal van kosten te moeten afzien.. Daarbij acht de rechter van belang dat de overheid geen signalen heeft gegeven dat verhaal achterwege zou blijven. Bovendien gaat het volgens de rechter om de besteding van algemene middelen, die de overtreder nota bene zelf had kunnen voorkomen. Mijns inziens sluit dat aan bij rechtspraak over het niet snel mogen aannemen van rechtsverwerking, maar het houdt naar mijn gevoel weinig rekening met het rechtsgevoel.
Hoewel ik mij kan voorstellen dat nog langer stilzitten wel degelijk zou kunnen leiden tot een invordering in strijd met het rechtszekerheids- en fair play-beginsel, is deze lijn van de Afdeling wel erg ‘overheidsvriendelijk’. Maar voor nu hebben we het ermee te doen, dus vertrouw ten aanzien van bestuursdwangkosten niet op cadeautjes, maar vrees voor een (nare) verrassing.